Wanneer je door langdurige ziekte of arbeidsongeschiktheid niet meer (volledig) kunt werken, verandert er veel in je leven. Naast de zorgen om je gezondheid, ontstaat er vaak direct een grote onzekerheid over je financiële toekomst. Na twee jaar ziekte stopt de loondoorbetalingsplicht van de werkgever en kom je in aanmerking voor een WIA-uitkering (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen). Maar hoe hoog is die uitkering nu eigenlijk? Het antwoord is complexer dan een simpel bedrag. De hoogte van je WIA-uitkering is afhankelijk van een web aan factoren: je arbeidsverleden, je laatstverdiende loon, het percentage dat je nog kunt werken en de specifieke regeling (WGA of IVA) waaronder je valt.
In dit artikel duiken we diep in de financiële structuur van de WIA. We kijken verder dan de standaard tabellen en analyseren de verschillende fases van de uitkering, de valkuilen van de vervolguitkering en de impact van het maximum dagloon. Zo krijg je een realistisch beeld van wat je kunt verwachten.
De Basis: IVA of WGA maakt een wereld van verschil
Voordat we kunnen rekenen, moeten we eerst het onderscheid maken tussen de twee smaken binnen de WIA. De hoogte van je uitkering hangt namelijk primair af van de vraag of je volledig en duurzaam arbeidsongeschikt bent, of dat er nog kans is op herstel of gedeeltelijk werk.

- IVA (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten): Deze regeling is voor mensen die minstens 80% arbeidsongeschikt zijn en waarbij de kans op herstel nihil of zeer gering is.
- WGA (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten): Deze regeling is voor mensen die ofwel tijdelijk volledig arbeidsongeschikt zijn (met uitzicht op herstel), of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn (tussen de 35% en 80%).
Het financiële verschil tussen deze twee is groot, vooral op de lange termijn. De IVA biedt financiële rust en stabiliteit, terwijl de WGA is ingericht met financiële prikkels om werken te stimuleren, wat de berekening ingewikkeld maakt.
Hoe hoog is de IVA-uitkering?
Laten we beginnen met de meest overzichtelijke variant: de IVA. Als je door de verzekeringsarts van het UWV volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt verklaard, is de berekening relatief eenvoudig.
Je ontvangt in de meeste gevallen een uitkering van 75% van je WIA-maandloon. Dit WIA-maandloon is gebaseerd op je gemiddelde dagloon in het jaar voordat je ziek werd (het refertejaar). Er zit echter een plafond aan: het wettelijk maximum dagloon. Verdiende je meer dan dit maximum? Dan wordt je uitkering berekend over dit maximum en niet over je daadwerkelijke oude salaris. Hierdoor kunnen mensen met een hoger inkomen procentueel gezien meer dan 25% inleveren.
Rekenvoorbeeld IVA:
Stel, je had een bruto maandloon van € 3.000 (inclusief vakantiegeld omrekening). Dit valt onder het maximum dagloon. Je IVA-uitkering bedraagt dan 75% van € 3.000 = € 2.250 bruto per maand. Dit bedrag is redelijk waardevast zolang je situatie niet verandert.
De WGA-uitkering: Een drietrapsraket
Val je onder de WGA? Dan is het antwoord op “hoe hoog is mijn uitkering” afhankelijk van in welke fase van de uitkering je zit. De WGA kent namelijk drie verschillende soorten uitkeringen die elkaar kunnen opvolgen. Dit is waar veel mensen verrast worden door een plotselinge inkomensdaling.
Fase 1: De loongerelateerde uitkering (LGU)
De meeste mensen in de WGA starten met de loongerelateerde uitkering. Om hiervoor in aanmerking te komen, moet je voldoen aan de zogenaamde ‘wekeneis’ (in de 36 weken voor je ziekte moet je minstens 26 weken hebben gewerkt).
De hoogte van deze uitkering is gekoppeld aan je oude salaris (tot het maximum dagloon). De berekening is als volgt:
- De eerste 2 maanden: Je krijgt 75% van het verschil tussen je oude WIA-maandloon en het bedrag dat je nu eventueel nog verdient.
- Vanaf de 3e maand: De uitkering daalt naar 70% van het verschil tussen je oude WIA-maandloon en je huidige inkomsten.
De duur van deze fase is cruciaal. Deze varieert van minimaal 3 maanden tot maximaal 24 maanden (voorheen 38 maanden, maar dit is afgebouwd). De duur is afhankelijk van je arbeidsverleden. Hoe langer je hebt gewerkt, hoe langer je recht hebt op deze relatief hoge uitkering.
Fase 2: De loonaanvullingsuitkering (LAU)
Is de periode van je loongerelateerde uitkering voorbij? Dan beoordeelt het UWV of je voldoende werkt. “Voldoende” betekent hier dat je minstens 50% van je zogeheten ‘restverdiencapaciteit’ benut. De restverdiencapaciteit is het bedrag dat je volgens de arbeidsdeskundige nog zou kunnen verdienen met passend werk.
Voldoe je aan deze eis? Dan kom je in de loonaanvullingsuitkering. Dit is financieel gezien het gunstige scenario na fase 1.
De hoogte: Je uitkering is 70% van het verschil tussen je oude maandloon en je restverdiencapaciteit. Let op: als je méér verdient dan je restverdiencapaciteit, wordt dat verrekend, maar het loont altijd om te werken.
Ben je volledig arbeidsongeschikt maar niet duurzaam (dus WGA 80-100%), dan krijg je in deze fase simpelweg 70% van je oude maandloon, zolang je niet werkt.
Fase 3: De vervolguitkering (VVU) – Het zwarte gat
Hier schuilt het grootste gevaar voor je portemonnee. Als de loongerelateerde uitkering stopt en je werkt niet of je verdient minder dan 50% van je restverdiencapaciteit, dan kom je in de vervolguitkering.
De vervolguitkering is niet meer gebaseerd op je oude salaris, maar op het minimumloon. Dit kan een enorme inkomensval betekenen, vooral voor midden- en hogere inkomens.
De berekening is gebaseerd op een percentage van het minimumloon, afhankelijk van je arbeidsongeschiktheidspercentage:
- 35-45% arbeidsongeschikt: 28% van het minimumloon.
- 45-55% arbeidsongeschikt: 35% van het minimumloon.
- 55-65% arbeidsongeschikt: 42% van het minimumloon.
- 65-80% arbeidsongeschikt: 50,75% van het minimumloon.
Realistisch scenario:
Stel je verdiende € 4.000 per maand. Je bent 50% arbeidsongeschikt verklaard. In de eerste fase (loongerelateerd) kreeg je nog 70% van je oude loon. Maar je vindt geen passend werk dat voldoet aan de eisen. Je valt terug naar de vervolguitkering. Je krijgt dan 35% van het minimumloon (laten we zeggen ca. € 700 bruto). Van € 2.800 (70% van 4000) naar € 700 is een financiële ramp. Dit wordt ook wel het ‘WGA-hiaat’ genoemd.
Het Maximum Dagloon: Een verborgen plafond
Bij de vraag “hoe hoog is mijn uitkering” mag het begrip ‘maximum dagloon’ niet ontbreken. Het UWV verzekert je inkomen niet onbeperkt. Er is een wettelijk maximum gesteld aan het loon waarover uitkering wordt berekend. Dit bedrag wordt elk half jaar (in januari en juli) geïndexeerd.
Voor 2024 ligt dit maximum dagloon rond de € 274,- (bruto per dag). Op maandbasis komt dit neer op een bruto salaris van grofweg € 5.900,- (inclusief vakantiegeld). Verdien je € 8.000 per maand? Dan wordt je WIA-uitkering berekend alsof je “slechts” € 5.900 verdiende.
Dit betekent dat mensen met een hoger inkomen bij arbeidsongeschiktheid procentueel veel meer inleveren dan mensen met een modaal inkomen of lager. De 70% of 75% uitkering geldt voor hen effectief over een veel lager bedrag dan hun werkelijke laatstverdiende loon.
Vakantiegeld en de WIA
Net als bij een reguliere baan, bouw je over je WIA-uitkering vakantiegeld op. Dit zit niet bij de maandelijkse uitbetaling inbegrepen. De hoogte van het vakantiegeld is 8% van je bruto uitkering.
Het UWV keert dit bedrag jaarlijks uit in de maand mei. Het is belangrijk om hier rekening mee te houden in je budgettering; je maandelijkse storting is dus exclusief dit bedrag. Wanneer je uitkering stopt, krijg je het opgebouwde vakantiegeld direct uitbetaald bij de eindafrekening.
De rol van restverdiencapaciteit
Een term die vaak tot verwarring en frustratie leidt bij het bepalen van de hoogte van de uitkering, is de ‘restverdiencapaciteit’. Veel mensen denken: “Ik ben ziek, dus ik kan niets verdienen.” Het UWV kijkt echter naar wat je nog wel kunt.
De arbeidsdeskundige selecteert (theoretische) functies die je met jouw beperkingen nog zou kunnen uitoefenen. Het middelste loon van de drie geselecteerde functies bepaalt wat je nog zou kunnen verdienen. Het verschil tussen je oude loon en dit theoretische nieuwe loon bepaalt je arbeidsongeschiktheidspercentage.
Waarom is dit belangrijk voor de hoogte van je uitkering?
Als het UWV vaststelt dat je nog € 1.500 kunt verdienen, maar in de praktijk vind je geen baan of werk je slechts voor € 500, dan heeft dit gevolgen voor welk type WGA-uitkering je krijgt (loonaanvulling of vervolguitkering). Het systeem gaat uit van theorie, maar je portemonnee voelt de praktijk.
Werken loont (bijna) altijd
Een veelgehoorde angst is dat werken ervoor zorgt dat de uitkering drastisch omlaag gaat, waardoor je onder aan de streep niets extra’s overhoudt. Binnen de WIA is het systeem echter zo ingericht dat werken moet lonen.
Wanneer je werkt naast je WGA-uitkering, wordt 70% (of 75% in de eerste twee maanden) van je inkomsten verrekend met de uitkering. Dit klinkt nadelig, maar het betekent feitelijk dat je 25% tot 30% van elke euro die je zelf verdient, mag houden bovenop je uitkering.
Daarnaast is werken de enige manier om uit de lage ‘vervolguitkering’ te blijven en in de hogere ‘loonaanvullingsuitkering’ te vallen. Het financiële verschil tussen wel of niet werken (of net niet genoeg werken) kan hierdoor oplopen tot honderden euro’s per maand.
Bruto versus Netto: Wat krijg je op je rekening?
Alle bedragen die het UWV communiceert en die in dit artikel genoemd zijn, zijn bruto bedragen. Wat er uiteindelijk op je bankrekening verschijnt, is lager. Er gaan nog loonheffing en premies vanaf.
Een belangrijk punt van aandacht is de loonheffingskorting. Je mag deze korting maar bij één werkgever of uitkeringsinstantie laten toepassen.
Heb je naast je WIA-uitkering nog een baan bij een werkgever? Dan is het vaak verstandig om de loonheffingskorting toe te passen op het hoogste inkomen. Als je de korting op beide inkomens laat toepassen, moet je aan het einde van het jaar waarschijnlijk flink belasting terugbetalen. Laat je je goed informeren om verrassingen bij de belastingaangifte te voorkomen.
Reparatie van het WIA-hiaat
Omdat de WIA-uitkering (zeker in de vervolgfase of bij een salaris boven het maximum dagloon) vaak veel lager uitvalt dan het oude salaris, hebben veel werkgevers een WIA-hiaatverzekering of WGA-hiaatverzekering afgesloten voor hun werknemers.
Deze verzekeringen zorgen voor een aanvulling op de WIA-uitkering.
1. WGA-hiaatverzekering basis: Vult de vervolguitkering aan tot 70% van het oude loon (tot max. dagloon).
2. WIA-excedentverzekering: Verzekert het deel van het salaris boven het maximum dagloon.
Als je wilt weten hoe hoog je totale inkomen zal zijn bij arbeidsongeschiktheid, is het essentieel om je cao of arbeidsovereenkomst na te kijken op dergelijke verzekeringen. Zonder deze verzekeringen is de val in inkomen vaak substantieel.
Indexatie: Groeit je uitkering mee?
De kosten voor levensonderhoud stijgen jaarlijks. Gelukkig is de WIA-uitkering in principe waardevast. De uitkeringen worden gekoppeld aan de verhoging van het minimumloon. Dit betekent dat per 1 januari en 1 juli de uitkeringen doorgaans iets worden verhoogd (geïndexeerd).
Let op: hoewel de uitkering stijgt, stijgt de inflatie vaak ook. In jaren met extreme inflatie kan de koopkracht van je uitkering alsnog dalen, ondanks de indexatie.
Conclusie: Een complex vangnet met gaten
Het antwoord op de vraag “hoe hoog is de WIA-uitkering” is niet in één zin te geven. Het hangt af van een dynamisch samenspel tussen je oude salaris, je restverdiencapaciteit, je daadwerkelijke inkomsten en de fase waarin je je bevindt.
Voor mensen in de IVA (volledig en duurzaam arbeidsongeschikt) is de uitkering stabiel en relatief hoog (75% van het dagloon). Voor mensen in de WGA is het financiële plaatje onzekerder. De terugval naar de vervolguitkering is een reëel risico dat leidt tot armoede bij mensen die niet (voldoende) kunnen werken maar ook niet volledig afgekeurd zijn.
Het is cruciaal om bij langdurige ziekte niet af te wachten tot de WIA-beschikking op de mat valt. Maak proefberekeningen (het UWV heeft hier rekentools voor), controleer je pensioenregeling en aanvullende verzekeringen via je werkgever, en probeer inzicht te krijgen in het verschil tussen je ’theoretische’ verdiencapaciteit en je werkelijke kansen op de arbeidsmarkt. Alleen zo voorkom je dat de hoogte van je uitkering een onaangename verrassing wordt op een moment dat je kwetsbaar bent.
